platform voor gesprek, beelden, ideeën, verhalen

Mede mogelijk gemaakt door
Partners

 

 

 

 

 

 

 

 

Verslag Stadsdebat GROOT Stedelijkheid door gebouwen

GROOT: stedelijkheid door gebouwen. AIR organiseerde op 11 november een avond in Kriterion, de bioscoop op het dak van het Groothandelsgebouw, tot de voltooiing van de Rotterdam op de Wilhelminapier vooralsnog het grootste gebouw van Rotterdam. Daarmee zaten we midden in het thema: een groot gebouw, een stapeling van functies en gebruikers, met publieke betekenis. AIR observeerde hoe de recente bouwproductie van Rotterdam zich afkeert van de door crisis en markt ingegeven trend naar schaalverkleining, spreiding en context. Historisch lijkt zich een lijn af te tekenen die wél continue is, met gebouwen als Beurs, Technikon, en natuurlijk het Groothandelsgebouw. AIR lanceerde met de avond een programma, gecentreerd rond de website grootgrotergrootst.nu dat met verschillende partners en publieken de kwaliteit en potentie van het grote stadsgebouw exploreert en in debat brengt. Na een aantal introducties modereerde Patrick van der Klooster, directeur AIR en gastheer voor de avond, tussen de zaal en drie makers: Jos Melchers (MAB), Reinier de Graaf (OMA) en Mark Rabbie (Vesteda).

Groot als wens en werkelijkheid
Op uitnodiging van AIR waren drie introducties voorbereid, op basis van een fase van onderzoek en analyse. Dat begon bij de architectuur van grote gebouwen, gevoed door de fascinatie voor dit soort Big Motherfuckers, in de terminologie van Rem Koolhaas. Als eerste gaf Susanne Komossa (TU Delft) het thema GROOT een achtergrond vanuit de historie van het bouwblok. Openend met een citaat van John Root, architect uit het Chicago van eind 19e eeuw, legde Komossa de verbinding met de Rotterdamse bouwcultuur: ‘In America we are free of artistic traditions....we produce works of architecture irredeemably bad; we try experiments that result in disaster. Yet somehow in this mass of ungoverned energies lies the principle of life.’De historie van het gebouw is echter ook in de Hollandse koopmansstad te vinden. Haar analyse van de Eerste Onverdeelde Koopmansbeurs in de ‘huisjesstad’Amsterdam liet zien hoe toen al een groot samengesteld gebouw ontstond, een stapeling van infrastructuur, uitwisseling van nieuws en goederen, ontmoeting, en tegelijk een zorgvuldig ontworpen element in de skyline van de stad. De koopmansstad representeerde zich in een fabuleus nieuw gebouw. Langs de 19e eeuwse Rotterdamse stad van civielingenieurs, burgerlijke openbaarheid en infrastructuur kwam ze uit bij de actuele situatie. Hoe bepalen stedelijke economie en politiek nu de vorm van het grote stadsgebouw?

In het gesprek met de drie makers werd voor zowel het Stadskantoor als voor de Rotterdam veel duidelijk gemaakt daarover. Reinier de Graaf bekende zich als architect tot de fascinatie voor grote gebouwen (bouwen is een oerdrift, ik zal altijd iets hebben met grote gebouwen)- maar gaf gelijk aan dat een groot gebouw nooit voortkomt uit de wens van de architect. Het is de opdrachtgever die met een kavel en een programma aankomt. Jos Melchers schetste daarop de hordes die genomen zijn voordat nu eindelijk het gebouw de Rotterdam uiteindelijk tot stand is gekomen. Het ontwerp was gemaakt als eerste private ontwikkeling op de Wilhelminapier- een teken van vertrouwen, rond 1995. Al snel begon de samengestelde puzzel uitelkaar te vallen: een gecontracteerde hotelketen haakte af na de aanslagen in 2001; de verkochte woningen moesten afgezegd worden. De bouwkosten stegen te ver en het gebouw werd onbetaalbaar- nog meer afstel. Pas met de gemeente Rotterdam als grote afnemer (o ironie) en de daling van de bouwkosten op de Duitse markt kon het gebouw in aanbouw genomen worden. GROOT is een zeldzame samenloop van gunstige omstandigheden.

De duivel in de details
In de introductie van Job Floris werd de architectuur van grote gebouwen nog meer teruggebracht naar haar essentie. Floris, van het bureau Monadnock, had met de TU Delft op uitnodiging van AIR een analysereeks gemaakt waarin een serie Rotterdamse grote gebouwen en hun illustere voorgangers van elders of eerder in een vergelijkend verband werden gebracht. De reeks bracht Floris tot een drietal observaties over essentiele kwaliteiten in de architectuur van deze gebouwen. De eerste noemde hij Accomoderen: het zijn zorgvuldige en karaktervolle gebouwen die juist door die kwaliteit schijnbaar moeiteloos van functie veranderen en geliefde persoonlijkheden in de stad blijven. Veranderlijkheid veronderstelt dus niet per definitie neutrale casco-dozen. De tweede kwaliteit was Porositeit: de mate waarin stad en stedelijk leven het bouwblok doorstroomden. De derde, belang van het detail, was essentieel in het aanraakbaar en ‘klein’ maken van een gebouw dat als geheel groot en ongenaakbaar is. Daarbij verwees Floris ondermeer naar de rijke decoratie die entrees en publieke interieurs begeleidt.

Dat dit voor bewoners en gebruikers inderdaad een uiterst belangrijk aspect is dat –vaak impliciet- bijdraagt aan de ervaring van kwaliteit werd bevestigd door Mark Rabbie (Vesteda). Tegelijk nuanceerde hij: het net opgeleverde gebouw New Orleans, van Alvaro Siza is niet zozeer rijk gedecoreerd maar eerder precies –en duur. Vanuit de consument gezien was het volgens hem sowieso logischer om verschillende gebouwen te maken die elk op hun functie zijn toegesneden dan om de combinatie koste wat kost na te streven. Grote gebouwen geven niet altijd wat nodig is.

Ook wat betreft de uitwisselbaarheid van functies leven we niet meer in de goede tijd, stelde Reinier de Graaf. In de bouw is er een groot verschil tussen woningen en kantoren. Ondanks dat is juist voor De Rotterdam geprobeerd de gelijkheid tussen gevel, detaillering en volume van kantoor en woningen weer terug te brengen. Het resultaat is echter een neutrale, bewust uitdrukkingsloze gevel- precies het tegendeel van wat Job Floris bepleitte.  

De eeuwige maagden van Rotterdam
De laatste introductie op het thema werd gegeven door Theo Deutinger, TD Architects. Op verzoek van AIR ging hij in op de wijze waarop GROOT in de Rotterdamse cultuur van stadsontwikkeling een plek heeft gekregen en op de werking van deze gebouwen in de context van de stad. In een aantal prikkelende posities liet Deutinger zien hoe belangrijk de veranderbaarheid van het blok is. Even vrolijk als diep drong hij door tot de Rotterdamse oervorm sinds het basisplan: de essentie van de modernistische stad die bestaat uit een open veld met eenzame gebouwen. Daarin zit de paradox van een antistedelijke stad die op zoek is gegaan naar stedelijkheid. In een analyse van de bouwblokken van Rotterdam identificeert Deutinger het type van de Eternal Virgin: een onveranderbaar, onaanraakbaar bouwblok, zoals het Groothandelsgebouw. Daarnaast ziet hij Urban Clusters: stadsblokken die doorontwikkelen, verdichten en in gebruik en karakter verdiepen. Meer verbindingen, meer uitwisseling, leidt tot meer stedelijkheid in zijn analyse. More sex = more city.

De vergelijking tussen het Stadskantoor en de Rotterdam kwam hier in het gesprek goed op z’n plek. Het stadskantoor, stelde Reinier de Graaf, is een product van een andere tijd, andere preoccupaties. Het is geen pionier in een nieuw stuk stad, het is een bewoner van een stuk gevonden ruimte. De Rotterdam gedacht is als een stapeling van gebouwen, die zijn karakter vooral vindt in de schakeling van die blokken. Het stadskantoor is gedacht als een zwevende wolk van modules, waarbij de kleinste maat de module is. Het gebouw is volledig open voor de stad, als een microklimaat in de omgeving. De Rotterdam daarentegen is juist met opzet een gebouw van buitenkant en plint- geen publieke atria. De plint, zo stelde de Graaf, is zelfs relatief harder gegroeid in de afgelopen jaren dan de rest van het gebouw. Wat dat betekent, liet zich nog raden.

Te veel stedelijkheden
Wat voegt een gebouw nu toe aan de stad? Die vraag bleek voor meerdere interpretatie, uitleg en beantwoording vatbaar. Gaat het bij deze grote gebouwen om het bouwen aan een beeld van Rotterdam als onderscheidende identiteit in Nederland, zoals Jos Melchers stelde? Gaat het bij GROOT om het leven op straat als belangrijke indicator van stedelijkheid? Wat maakt architectuur stedelijk- baksteen of glas?

De avond was een eerste moment in het programma GROOT. De rijkdom van het programma bleek in de avond echter ook een handicap. Te diverse definities van stedelijkheid stonden echte ontmoeting en uitwisseling in de weg. Gebouwen kunnen een stapeling van functies zijn, met publieke betekenis- voor een publiek gesprek is dat voor één avond wellicht te veel gevraagd.

Arie Lengkeek
Programmaleider AIR

 


Notificatie

Alleen geregistreerde gebruikers die
zijn ingelogd kunnen reageren.


reageer >>>
Nog Geen Reacties